Een kwart van alle minimumloonbanen in Nederland is in handen van 20- tot 25-jarigen. In die leeftijdsgroep verdient één op de zes werknemers het minimumloon. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), gepubliceerd in De arbeidsmarkt in cijfers 2025. Wat die cijfers niet vertellen, is wat ze betekenen voor hoe deze groep leeft, kiest en consumeert. En juist daar wordt het interessant.
▼
Flex en deeltijd als startpositie
De meeste minimumloonbanen zijn deeltijdbanen. Zeven op de tien vallen in die categorie. Werknemers met een flexibel contract verdienen bovendien ruim vier keer zo vaak het minimumloon als mensen met een vast dienstverband, 13 procent tegenover 3 procent. Voor jonge starters is flex vaak geen keuze maar een gegeven. Ze beginnen daar waar de arbeidsmarkt hen plaatst, in de horeca, de handel of via een uitzendbureau. Samen zijn die twee bedrijfstakken goed voor de helft van alle minimumloonbanen.
Wie in die positie start, bouwt langzaam op. De salarisbenchmark van MI Network laat zien dat de arbeidsmarkt pas echt lonend wordt na zes tot acht jaar ervaring. Daarvoor volgt de loongroei grotendeels de inflatie, en wie pech heeft, loopt zelfs achter. Starters profiteren het minst van de algemene loonstijging, ook al steeg het minimumloon de afgelopen vijf jaar met 33 procent, harder dan de cao-lonen en de inflatie.
Individuele beslissingen, krappe bestedingsruimte
Eerder schreven we over de opkomst van de solo-consument, mensen die steeds vaker alleen leven en individueel beslissen, zonder rekening te houden met een partner of huishouden. Die ontwikkeling raakt ook deze groep, maar met een extra dimensie. Jongeren die minimumloonbanen hebben, leven niet altijd alleen uit vrije keuze. De combinatie van een flexcontract, een laag uurloon en een krappe woningmarkt maakt zelfstandig wonen voor velen financieel moeilijk bereikbaar.
Toch gedragen ze zich als individuele consumenten. Ze beslissen zelf wat ze kopen en kiezen. Ze doen dat binnen nauwe marges. Dat heeft gevolgen voor hoe merken naar hen kunnen kijken. Wie deze groep analyseert alsof het een homogeen jongerensegment is, mist de kern. De bestedingsruimte verschilt sterk, en die ruimte bepaalt mede welke keuzes überhaupt mogelijk zijn.
Verwachtingen lopen voor op de realiteit
Uit onderzoek van Ipsos en King’s College London blijkt dat jongere mannen opvallend traditionele opvattingen hebben over rolverdeling. Een deel verwacht dat de vrouw in een relatie een meer ondersteunende rol aanneemt, ook al is diezelfde vrouw in Nederland iets vaker degene die het minimumloon verdient. 311.000 vrouwen tegenover 300.000 mannen zitten in een minimumloonbaan.
Dat verschil is klein in absolute aantallen, maar het botst met hoe een deel van deze mannen naar rolverdeling kijkt. De economische realiteit van deze generatie strookt niet altijd met het zelfbeeld dat een deel van hen heeft opgebouwd.
Achter het generatielabel
Binnen de groep van 20- tot 25-jarigen lopen inkomen, contractvorm en woonvorm sterk uiteen. Een gedeeld generatieprofiel biedt daardoor weinig houvast. Wie met een flexibel contract in de horeca werkt, leeft anders dan een starter met een vast contract bij een grote werkgever, ook al zijn ze even oud. De CBS-cijfers maken dat zichtbaar in lonen. In gedrag en bestedingen geldt hetzelfde.

