Nederlandse kiezers vinden steeds vaker dat er te veel verkiezingen zijn, maar die vermoeidheid geldt niet voor elke stembusgang. Uit de officiële evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing van 2025 en de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 blijkt dat de moeheid zich vooral toespitst op de landelijke verkiezingen. Bij gemeenteraadsverkiezingen speelt dat gevoel nauwelijks.
▼
Van 11 naar 36 procent
De evaluatie werd uitgevoerd door Ipsos I&O in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en is op 2 juli aangeboden aan de Tweede Kamer. Voor de twee deelonderzoeken werden respectievelijk 4.948 en 3.963 kiesgerechtigden ondervraagd.
De cijfers laten een sterke toename zien. In 2023 vond 11 procent van de kiezers dat er te vaak verkiezingen zijn. Na de Tweede Kamerverkiezing van oktober 2025 was dat aandeel gestegen naar 36 procent. Nederland kreeg in korte tijd meerdere Tweede Kamerverkiezingen doordat kabinetten voortijdig vielen.
Gemeenteraadsverkiezingen vormen uitzondering
Na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 lag het gevoel van verkiezingsmoeheid aanzienlijk lager. Volgens de onderzoekers zijn kiezers niet zozeer klaar met stemmen, maar hangt de vermoeidheid waarschijnlijk samen met de hoge frequentie van Tweede Kamerverkiezingen als gevolg van voortijdig gevallen kabinetten. Verkiezingen op lokaal niveau, die volgens een vaste cyclus van eens per vier jaar plaatsvinden, roepen die weerstand veel minder op.
Volmacht zonder voorkeur
De evaluatie bevat daarnaast een minder belichte bevinding over stemmen bij volmacht. Bij ongeveer één op de tien volmachtstemmen geeft de volmachtgever geen partijkeuze mee en laat die de keuze volledig over aan degene die de stem uitbrengt. Het gaat om een klein aandeel van alle stemmen, maar het roept vragen op over de mate waarin de uiteindelijke stem nog de eigen voorkeur van de kiezer weerspiegelt.
Wat de cijfers wel en niet zeggen
Voor een goede interpretatie van de trend is enige voorzichtigheid geboden. De stelling over verkiezingsmoeheid werd niet ieder jaar identiek geformuleerd. In 2024 ging het om de Europese Parlementsverkiezing, terwijl in 2023 en 2025 naar de Tweede Kamerverkiezingen werd gevraagd. De vergelijking over de jaren is daardoor indicatief. Ook zijn landelijke en lokale verkiezingen niet één op één met elkaar te vergelijken. De onderzoeksopzet is zorgvuldig verantwoord. De resultaten zijn gewogen op leeftijd, geslacht, opleiding en regio volgens de Gouden Standaard van het CBS, met een aanvullende correctie voor de opkomst. Zelfrapportage blijft daarbij een beperking en niet-stemmers zijn in panelonderzoek traditioneel moeilijker te bereiken. De komende jaren zullen uitwijzen of het gevoel afneemt wanneer Tweede Kamerverkiezingen weer volgens de reguliere cyclus plaatsvinden.

