Waarschuwingslabels onder online berichten helpen lezers desinformatie te herkennen, maar maken hen tegelijkertijd ook sceptischer over correcte informatie. Dat is de centrale bevinding uit het proefschrift van communicatiewetenschapper Lina Buttgereit aan de Universiteit van Amsterdam.
▼
Buttgereit onderzocht hoe mensen in het dagelijks leven omgaan met desinformatie. Daarvoor gebruikte zij een ongebruikelijke methode. Deelnemers uit Nederland en Duitsland stuurden via WhatsApp screenshots van berichten die zij zelf als mogelijke desinformatie herkenden. Zo verzamelde zij bijna 3.000 meldingen van bijna 700 deelnemers, afkomstig uit hun eigen online omgeving in plaats van uit een laboratoriumexperiment. Die aanpak laat zien dat mensen desinformatie lang niet altijd op dezelfde manier definiëren. Wat als desinformatie wordt bestempeld, hangt niet alleen af van de feitelijke juistheid van een bericht, maar ook van politiek wantrouwen en de vraag welke bronnen nog als betrouwbaar worden gezien.
Een van de opvallendste bevindingen is het verschil tussen perceptie en werkelijkheid. Deelnemers schatten dat ongeveer de helft van de berichten die zij online tegenkomen desinformatie bevat.
“Mensen denken dat tot 50 procent van het nieuws dat ze zien desinformatie is, terwijl onderzoek meestal uitkomt op ongeveer 1 tot 6 procent”, vertelt Buttgereit. “Dat verschil vond ik heel interessant.”
Waarschuwingslabels, zoals community notes en vergelijkbare meldingen op sociale media, blijken die kloof niet te dichten, maar maken lezers wel kritischer. Dat kritische oordeel richt zich echter niet alleen op onjuiste berichten. Ook correcte informatie wordt minder geloofwaardig beoordeeld zodra er een waarschuwingslabel onder staat. Volgens Buttgereit ligt daar een belangrijke uitdaging voor sociale mediaplatforms. Het bestrijden van desinformatie vraagt niet alleen om waarschuwingen, maar ook om manieren waarop gebruikers feit, mening en context beter van elkaar kunnen onderscheiden.

